opkuis
Zonnige najaarsdagen, ze zijn een ware zegen voor het gemiddeld hobbyboerke-annex-tuinman, ik zeg het u. In plaats van tussen druilerige november-regenvlagen door rap-rap het hoogstnodige te doen teneinde verder debacle te voorkomen, om vervolgens weer snel binnen te duiken, is het nu eerder rondspeuren naar wat er nog zo zou kunnen gedaan worden in de tuin, kwestie van nog wat langer buiten te kunnen froetelen. Nefast voor de – na zes jaar eindelijk op stapel staande – afwerking van de badkamer, ik moet het u niet vertellen, maar gelukkig is de Eigenwijze Madam begripvol. Meer nog, verstandig als ze is zit ze zelf ook buiten. Soit, wij zijn nog niet aan het oprapen en weer uitstrooien van bladeren toe, gelijk sommigen, maar toch: meer en meer ‘dingen-die-ik-ooit-nog-eens-moet-doen’ raken eindelijk af. Maar later meer daarover.
Zo was het voorbije weekend het ideaal moment voor de opkuis van de serre. De laatste tomaten waren in de loop van de week daarvoor, net voor de eerste nachtvorst, geoogst. Maar de planten zelf stonden er nog, de automatische raamopeners zaten nog op de luiken geschroefd en er groeiden wel wat ongenode gasten (kruisbloemigen, gras en een enorm hardnekkig klein klavertje).
Eerst de tomatenplanten aangepakt, want die eerste vorst was hen duidelijk niet goed bekomen. En een ongelukkig ogende tomatenplant stemt mij ook droef ten moede, derhalve zo gauw mogelijk uit beeld gesnoeid! Daarna de automatische raamopeners (Een gerief! Maar werken op oliedruk en zijn dus kwetsbaar voor strenge vorst) afgeschroefd en vervangen door de vaste sluitingen (mijn dakvensters moeten er tenslotte niet uitwaaien bij de eerste stevige windvlaag, dus vastleggen die hap!). Nog een grondige wiedbeurt, het rondzwervend tuingereedschap schoongemaakt en weggeborgen, en de serre was winterklaar. Volgend voorjaar eens de ramen zemen, en de plantjes kunnen er zó in.
De moestuin zelf is ook al behoorlijk op kant. Het overschot aan warmoes (waanzinnig hoeveel zo’n rijtje snijbiet voortbrengt) staat er nog semi-bevroren bij, ‘t zal eerstdaags schapenvoer worden vermoed ik. En ook voor de resterende rode bietjes vrees ik het ergste. Maar de pastinaken staan al uitnodigend te lonken, binnenkort eens beginnen uitsteken. Hmmmm en njamnjam en al. Want after all, ‘t is voor de smaak van al dat lekkers dat we een half jaar op onze knieën in de grond zitten te wroeten, niewaar (en ook wel omdat we het gewoon gráág doen, stiekem)


















