Woord vooraf: ik weet één en ander af van bomen planten en snoeien, maar dat maakt me nog lang geen specialist. De informatie die hier staat is bijeengesprokkeld uit literatuur, op demonstraties en nagelezen en aangevuld door ‘beroeps’. Wat hier staat mag dus als ‘vrij correct’ beschouwd worden, maar aanvullingen en opmerkingen zijn altijd welkom.
Wanneer
De beste periode voor aanplanten is vanaf de bladval tot net voor het uitlopen van de bladknoppen.
Voor je begint: bodem en bemesten
Voor een gezonde fruitboom is de bodem van levensbelang. Een boom die het niet goed doet kan sterk geholpen worden met gerichte bemesting. Daarvoor is een bodemanalyse nodig, die kan uitgevoerd worden door onder andere de Bodemkundige Dienst België (kost ongeveer 40 €). Belangrijk daarbij zijn de zuurtegraad van de bodem, en de NPK- verhouding: stikstof (N) is vooral nodig voor de groei, Fosfor (P) is vooral nodig voor de wortels, Kalium (K) is nodig voor een goede bloei en vruchtzetting.
Bemesten doe je liefst met organische mest (compost, stalmest), tenzij je grote fouten in de NPK-verhouding moet rechttrekken: in dat geval ben je aangewezen op korrels, maar denk er aan dat die de bodem op lange termijn verzuren en verzouten.
Bemesten doe je best onder de rand van de boomkruin: daar zijn de wortels het meest aktief (geldt ook voor eventueel begieten in de zomer).
Je kan ook uitgetrokken brandnetels als bemesting gebruiken: gewoon rond de boom leggen en de voedingsstoffen komen langzaamaan in de bodem terecht. Let wel: op deze manier rijk je nagenoeg enkel de stikstof (N) aan.
Bladbemesting is ook nuttig: zet brandnetels of heermoes in een emmer water gedurende enkele dagen en spuit dit op de boom. Heermoes heeft bovendien een antischimmel werking, en brandnetel helpt tegen bladluizen. Met Heermoes-gier spuiten kan vanaf juli-augustus, dit is de periode waarop de meest schadelijke schimmels zeer actief zijn.
Chemisch sproeien is sterk af te raden: je verstoort het evenwicht in de bodem, en opportunistische woekeraars krijgen alle kansen.
Bemesten kan (bij oude bomen bvb) ook door gaten van zo’n 50 cm diep te boren aan de rand van de boomkruin, en daar compost in de doen. De boomwortels zullen er zich spontaan sterk in ontwikkelen.
Stap 1: koop een boom
Zorg dat je zeker bent dat je de juiste variëteit krijgt. Een kleine, gespecialiseerde kweker geeft je meestal meer zekerheid.
Voor hoogstammen en fruitbomen: koop een boom met een volledige kruin, waar geen takken uitgeknipt of afgetopt zijn. Bij fruitbomen zijn er normaal initieel vier grote takken: drie ‘zijtakken’ en een ‘hoofdtak’. Koop geen boom met minder dan drie goeie takken.
Let er ook op dat het wortelstelsel goed ontwikkeld is, vooral veel fijne worteltjes zijn van belang.
Pas er ook op dat de wortelhaartjes niet kunnen uitdrogen, vooral bij het vervoer in een open aanhangwagen of op het dak van de auto doe je best een beschermende hoes over de wortels. Als je de planten niet onmiddellijk na aankoop kan aanplanten, bescherm ze dan tegen uitdrogen en vorst, bijvoorbeeld met een plastic zeil of een oud deken. Duurt het nog vrij lang vooraleer je zal kunnen aanplanten, dan kan je de planten best inkuilen (dwz: de wortels ingraven onder een laag losse aarde of nat zand).
Stap 2: hoe planten
Dat is een beetje afhankelijk van wat je precies plant: Wilgen en populieren, andere bomen en struiken of fruitbomen,
Als je Wilg en Populier wil aanplanten, kan je aan de slag met “poten”. Poten zijn niks meer dan een stuk afgezaagde wilgentak. Typisch voor wilgen en populieren is dat, als je zo’n afgezaagd stuk tak in de grond steekt, het wortels en bladeren gaat vormen en kan uitgroeien tot een kloon van de moederplant.
Normaal gezien wordt dat vooral gedaan om knotwilgen te planten: een minstens vijf centimeter dikke tak van drie meter lang een meter diep in de grond werken (goed stevig aankloppen: hiermee voorkom je dat de tak te veel beweegt met de wind en de nieuw gevormde microworteltjes beschadigd raken), en met een beetje geluk heb je een knotwilg. Maar het kan ook met dunnere éénjarige takken, zolang ze maar diep en vast genoeg in de grond zitten. Het vergt dan gewoon wat meer tijd om tot een grote boom te komen. Om de kans op succes te vergroten kan je de onderzijde schuin afzagen en enkele inkepingen maken in de schors. Deze kwetsuren vergemakkelijken de wortelvorming (zie foto links).

Voor andere boom- en struiksoorten moet je met jonge plantjes uit de kwekerij werken. Voorzie en voldoende groot plantgat (2x zo ruim als de wortelkluit, zie foto uiterst links), en plant de boom zeker niet dieper dan hij in de kwekerij stond (kan je zien aan het kleurverschil onderaan de stam, foto links). Bij te diep geplante bomen krijgen de wortels niet voldoende zuurstof en komen er gegarandeerd problemen van. Kenmerkend voor een boom die te diep geplant werd zijn opslag onderaan bij de wortel. Enige remedie bij zo’n boom is hem de eerstvolgende winter voorzichtig los te graven en hem hoger te herplanten.
Hak altijd de aardkluiten op kleine stukken alvorens het gat weer te vullen.
Als je solitaire bomen zet en hierbij met groot plantgoed werkt (hoogstam) dan voorzie je best ook een steunpaal om de boom op te binden. Die hoeft niet zo hoog te zijn, want opbinden gebeurt best op ± 1 m boven de grond.
Plant je een haag, dan is de keuze uitgebreid: Meidoorn, Olm, Haagbeuk, Hulst, Sleedoorn, Veldesdoorn, Taxus, Wilde liguster, Beuk,… je kan kiezen voor een haag met 1 soort of je kan met meerdere soorten gaan inmengen. Voor het inmengen komt de Hondsroos, Gelderse roos, Rode kornoelje en Kardinaalsmuts zeker ook in aanmerking, al ben ik van Hondsroos totaal niet meer zo zot (maakt lange stekelige uitlopers en is nogal dominant.
Om een goed aaneengesloten haag te krijgen moet je rekenen op 3 à 5 planten per meter.
Als je wat meer plaats hebt kan je overwegen om een houtkant aan te planten. Dergelijk hakhout is een goede optie bij het bebossen van een kleine oppervlakte, zoals de houtkanten in onze tuin. Je kiest dan natuurlijk best voor soorten die zo’n hakhoutbeheer verdragen. Een tweede criterium was in ons geval een redelijk goede houtopbrengst. Dan ben je al gauw beperkt tot soorten als Wilg, Gewone es, Haagbeuk, Zomereik, Zwarte els. Eventueel ook Gewone esdoorn of Tamme kastanje, al zijn die twee ecologisch
dan weer minder interessant. Als je dan ook de groeisnelheid in aanmerking neemt komen Wilg en Gewone es als grote winnaars uit de bus, en vallen Zomereik en Haagbeuk weer uit de gratie. Beetje mengen is nog de beste optie, maar plant ze in groepjes zodat snelle en trage groeiers wat bijeen staan.
Planten met een onderlinge afstand van één à anderhalve meter, en de eerste jaren ongemoeid laten. Daarna kan je ze dan op 20 à 25 centimeter van de grond afzetten. Vanaf dan hanteer je naargelang de soort (zie hakhoutbeheer) een verschillende omlooptijd. Bij lange houtkanten kan je zelfs kiezen om in 2 fasen te werken (vb om de zes jaar de helft van de houtkant), op die manier blijft de ecologische waarde constant en blijven de beestjes niet in de kou staan. Je kan er ook voor kiezen om enkele bomen uit je houtkant te laten groeien (middelhout) of als knotboom (dus hoger afgezet) te behouden.
Fruitbomen
Hoogstamfruitbomen zijn groot: ofwel moeten ze in een aanhangwagen, ofwel op de bagagedrager. Pak daarom de wortels goed in met plastic (fruitboomwortels zijn gevoelig voor uitdroging), en draai wat doeken rond de stam waar hij met de bagagedrager / aanhangwagen in contact komt. Op die manier raakt de stam niet beschadigd.
Graaf een flink brede kuil uitgraven (bewaar de afgestoken graszoden eventjes appart) waar de boomwortels voldoende ruimte hebben. Plooi de grote wortels zo weinig mogelijk om: je hebt kans dat ze dan gaan afsterven. Maak het plantgat niet te diep: de boom mag niet dieper geplant worden dan hij in de kwekerij stond (te zien aan de kleurovergang op de stam, zie foto hieronder rechts). Fruitbomen worden immers dikwijls geënt op een goed – wortelvormende onderstam. Als je de boom te diep plant, dan gaat de eigenlijke stam ook (minder goede) wortels vormen, en raken de onderzittende (goede) wortels afgesneden van de rest van de boom zodat de boom op termijn kan afsterven.

Bemerk op de foto’s hierboven ook dat er al een steunpaal in de plantkuil zit: door de steunpaal tegelijk met de boom te planten voorkom je het beschadigen van de wortels. Een goede steunpaal hoeft niet meer dan een meter boven de grond uit te steken. Te lange steunpalen resulteren in een ‘luie’ boom die, als de steunpalen later weggehaald worden, alsnog kan ontwortelen. Plaats te steunpaal niet vlakbij de boom maar geef de stam voldoende ruimte om te verdikken.
Vul vervolgens het plantgat met de fijngebrokkelde aarde (geen grote kluiten, en vooral géén verse mest want dan verbranden de wortels). Na het planten de aarde flink aandrukken en indien nodig wat begieten, maar overdrijf hier niet mee. Tenslotte de graszoden terugleggen.
Rest nog de boom te beschermen tegen de rondlopende grazers, in mijn geval schapen. Gewoon kippengaas is daarbij nog het meest efficiënt gebleken. Heb je andere dieren lopen (geiten, koeien, paarden) dan is er iets groter en sterker nodig.

Tenslotte: als je de boom op de kwekerij gaat ophalen dan zijn ze meestal wel zo vriendelijk om hem z’n eerste vormsnoei te geven. Is dat niet gebeurd (of doe je het, zoals ikzelf, liever zelf) dan is het nú de moment om dat te doen. Selecteer de harttak: die laat je met rust. Dan probeer je uit de overige takken één of twee kransen van drie à vier gelijkwaardige takken te selecteren. Je probeert met andere woorden een pyramide-vorm te bekomen.

Waar
Hou rekening met de wettelijke plantafstanden, dat voorkomt boze buren. Er is een verschil naargelang de soort plantgoed (hoogstam, eigen haag of gemeenschappelijke haag) en de bestemming van het perceel waar geplant wordt (bouwzone, landbouwgebied). Om zeker te zijn neem je best contact op met de milieudienst van je gemeente, want er schijnen nogal wat gemeentelijke reglementen rond te bestaan.
Naargelang je perceel hou je ook best rekening met de specifieke voorkeuren van de planten: sommige soorten staan liever in de zon dan in de schaduw, anderen staan liever nat dan droog.
Veralgemenend kan je de volgende richtlijnen hanteren:
|
zonnig
|
schaduw
|
nat
|
droog
|
| Beuk |
|
x
|
vochtig
|
|
| Bosroos |
x
|
x
|
?
|
?
|
| Wilg |
x
|
|
x
|
|
| Meidoorn |
x
|
|
vochtig
|
|
| Gewone es |
x
|
x
|
vochtig
|
|
| Gelderse roos |
|
x
|
vochtig
|
|
| Esdoorn |
|
x
|
vochtig
|
|
| Haagbeuk |
x
|
x
|
vochtig
|
|
| Hazelaar |
x
|
x
|
x
|
x
|
| Hondsroos |
x
|
x
|
x
|
x
|
| Hulst |
x
|
x
|
x
|
x
|
| Linde |
|
x
|
x
|
x
|
| Lijsterbes |
x
|
x
|
x
|
x
|
| Olm (Iep) |
x
|
x
|
vochtig
|
|
| Ratelpopulier |
x
|
|
x
|
x
|
| Rode kornoelje |
x
|
|
x
|
x
|
| Ruwe berk |
x
|
|
x
|
x
|
| Sleedoorn |
x
|
x
|
x
|
x
|
| Veldesdoorn |
x
|
x
|
?
|
?
|
| Vogelkers |
|
x
|
x
|
|
| Sporkehout (vuilboom) |
x
|
x
|
x
|
x
|
| Kardinaalsmuts |
x
|
x
|
vochtig
|
|
| Wilde liguster |
x
|
x
|
x
|
x
|
| Zachte berk |
x
|
x
|
x
|
|
| Zoete kers |
x
|
|
vochtig
|
|
| Zomereik |
x
|
|
x
|
x
|
| Zwarte els |
x
|
|
x
|
|
Ook belangrijk ivm de standplaats: gras is ‘groen asfalt’: het is beter de bodem onder de boom grasvrij te houden door geregeld te maaien. Anders krijg je onderaan de stam de geschikte omstandigheden voor schimmels, woelmuizen e.d. Nog beter is de bodem onder de boom daadwerkelijk grasvrij te houden door bijvoorbeeld te Mulchen, of de bodem met afgevallen boombladeren bedekt te houden. Maar echt noodzakelijk is het niet.
Als je bo(o)m(en) dan eindelijk in de grond zitten ben je er nog niet van af: er moet nog gesnoeid worden. Maar dat moet niet onmiddellijk.
Het is beter de boom de eerste twee jaar met rust te laten. Pas daarna is het ogenblik aangebroken om te snoeien. Belangrijk is hierbij de hoofdstructuur goed te sturen, maar daarover elders meer.
met muchas grasjas aan Anne Hollevoet voor de tabel