de okkernotenberg
‘t is een notenjaar. En half blogland zit met een overschot aan okkernoten waar ze van miserie hun stoof mee aansteken, heelder lokale economieën mee ontwrichten, zich plichtbewust doorheen knabbelen of een weerloze specht met een dégout voor noten opzadelen (Enige overdrijving daargelaten).

Zelf hebben we twee mooie okkernotenbomen staan. De ene draagt grote aantallen normaal-formaat noten, de andere draagt zogenaamde vuistnoten ter grootte van een ernstig kippenei. Honderden. De voorbije week raap ik dagelijks een fruitbakje okkernoten van tussen het gras, waarvan er bij ons thuis en aanverwante huishoudens met mate gegeten wordt. De rest wordt netjes gedroogd en gestockeerd. Voor eigen gebruik des winters (notentaart! zeer njammie!) maar ook voor de voederplank. Het tiental noten dat ik dan dagelijks plattrap en op of rond de voedertafel drop wordt netjes leeggepikt door mussen, mezen en vinken. Iedereen content. Maar het rare is: ik laat honderden kilo’s pruimen, appels en peren uit de respectievelijke bomen donderen en ter plaatse composteren dat het niet meer schoon is. Ik laat de frambozenstruiken kreunen onder het gewicht van de ongeplukte frambozen. Ik kijk eens van ver naar de hazelnoten die plukklaar aan de hazelaars hangen. Maar een okkernoot onbenut in het gras laten liggen stuit mij danig tegen de borst. Ik kan ze niet laten liggen. ‘t Zal wel weer één of andere neurose zijn vermoed ik. Tot op heden is er evenwel geen behandeling voor, dus blijf ik netjes noten rapen.




Aan de rand van de boomgaard, vlakbij de haag staat er een Paardekastanje. Een afdankertje dat ik jaren geleden van iemand gekregen heb (ik weet al niet meer van wie) en bij gebrek aan inspiratie dan maar in de grond gestoken heb waar hij nu nog altijd staat. Het zieltogend twijgje van toen is ondertussen een flink boompje van een drietal meter hoog geworden.