een libel en een juffer
Een (heide)libel op de schommel. Meer ga ik niet schrijven, want de juff(e)r(ouw) van Onder de Appelboom heeft een onwaarschijnlijk mooi stukje geschreven dat je zeker moet gaan lezen.
Een (heide)libel op de schommel. Meer ga ik niet schrijven, want de juff(e)r(ouw) van Onder de Appelboom heeft een onwaarschijnlijk mooi stukje geschreven dat je zeker moet gaan lezen.
Libellenogen, ‘t is iet raar. Facetoogjes, weetwel. Een paar honderd op een kluitje die op foto precies altijd onscherp zijn. Geen iris of pupil ook,
Read more »
Mijn vijver is geen fijne plaats om te leven. Toch niet als ik bekijk hoeveel hongerige rovers er in rondpeddelen. Je zal maar een weerloos larfje zijn van het vegetarisch-vredelievende type dat daar tussen al die bijters en zuigers z’n maag moet volgrazen. Honderden roofwantsen en waterkevers hebben het op je gemunt, maar ook de überrover van de foto hierboven komt in groten getale voor: libellenlarven. Deze is nog vrij bescheiden van omvang, maar na een korte carrière van een eten en vervellen zal hij/zij uitgegroeid zijn tot een sluipmoordenaar van een viertal centimeter. Niet actief jagend, maar onbeweeglijk loerend van tussen de vegetatie op argeloze voorbijzwemmers, inclusief soortgenoten. Wie te dicht komt wordt vastgegrepen door het uitklapbaar vangmasker en zonder veel complimenten opgepeuzeld. Ne mens zou verwonderd zijn dat er uberhaupt nog iets in leven is in zo’n moordpoel. Ik durf er bijkans mijn vingers niet meer in steken!
Krioelen deed het, daar in én aan mijn vijverke. Slakken, schaatsenrijders, wantsen en kevers, watervlooien en wormachtige dingen, muggelarven en fikse dikkoppen. Maar vooral ook veel waterjuffers. Pakweg twintig azuurjuffers en een paar vuurjuffers, en ook een dikke vette oeverlibel. Maar jammer genoeg veel te hard zonlicht om daar mooie foto’s van te maken. Stralend zomerweer, ‘t is nergens goed voor zeg ik u! Geef mij maar een matig zonnige dag met mooie stapelwolkjes. Maar allez, bovenstaande vuurjuffer kan er nog mee door.
Laat die drie kemphaantjes van het jongens-onder-elkaar-programma hier maar eens naar kijken: de Steenrode heidelibel. Een model met prestaties waar de gemiddelde BMW nog een puntje aan kan zuigen. En véél milieuvriendelijker dan wat ze doorgaans de revue laten passeren.
Want leest u maar: Het gekanteld motorblok (ook wel borststuk genoemd) is zeer aërodynamisch van vorm en biedt plaats aan een forse partij vleugelspieren die in een fractie van een seconde het maximaal vermogen kunnen leveren wat in een enorm acceleratievermogen resulteert. De eveneens naar voor geschoven ophanging van de poten levert een kreukelzone op die de schokken bij het vangen van de (relatief zware) prooien opvangt. De ophanging van de kop is eveneens uitermate flexibel en wendbaar.
De centraal op het borststuk geplaatste aandrijving bestaat uit vier onafhankelijk van elkaar beweegbare vleugels. De afzonderlijke aansturing van de vleugels laat hoogstandjes toe als stil hangen in de lucht, verticaal opstijgen en achterwaarts vliegen. Met een vleugelslag tussen de 20 en 40 slagen per seconde is de aandrijving opmerkelijk zuinig (kleinere insecten blazen er met 1000 slagen per seconde hun energie veel sneller door) maar levert wel topprestaties tot 50 km per uur, wat hen de snelst vliegende insecten maakt.
De voorrand van de vleugels is geknikt en fungeert als een soort spoiler. Dit zorgt dat lucht loskomt van het vleugeloppervlak, waardoor lift ontstaat. Aan de voorrand van de vleugels bevindt zich ook een gekleurde vlek, het pterostigma, dat waarschijnlijk een functie heeft bij fijnere bijstellingen van de vlucht.
Eén en ander maakt dat deze diertjes in vlucht bijzonder moeilijk te fotograferen zijn, zeker als ze hun vermogen dan nog eens koppelen en als tandem allerlei manoeuvres gaan uitvoeren.
Op de foto hierboven is een koppel aan het afzetten van de eitjes begonnen. Bij Steenrode heidelibellen worden die 1 per 1 in het water gedropt, waarbij het koppel in hoog tempo telkens van op zo’n 20 cm hoogte naar beneden duikt tot net aan het wateroppervlak. De larven die uit deze eitjes komen leven op de vijverbodem en voeden zich daar onder meer met muggelarven (juicht!).
Gelukkig parkeren deze beestjes zich ook af en toe. Dan wordt het al iets eenvoudiger om ze eindelijk deftig vast te leggen.
Zeer opvallend zijn de samengestelde ogen die uit tien- à dertigduizend facetjes bestaan en vooral bewegingen waarnemen. Met de onderste helft (groen) van dichtbij, met de bovenste helft (bruinig) veraf.
Vooraan tussen de twee samengestelde ogen zie je ook de enkelvoudige ogen, waarmee ze licht en donker kunnen onderscheiden maar die waarschijnlijk ook als optisch evenwichtsorgaan functioneren. Daar net naast staan de twee korte antennes. De vervorming daarvan laat de libel toe om haar snelheid te meten. Optimale functionele design met andere woorden. En nog mooi om naar te kijken ook.
Waren de waterjuffers de voorbije maand heer en meester op en rond de vijver, dan lijkt nu de periode van de échte libellen aangebroken. Want zo’n Grote keizerlibel, die vreet een azuurjuffertje als ware het een gezond tussendoortje. Gelukkig voor hen was dit exemplaar niet op zoek naar een hapje maar naar een geschikte plaats om haar eieren af te zetten. Een vijvertje zoals het onze is daarvoor ideaal. ‘Gelukkig’ ook voor mij, want een keizerlibel is een verdomd wendbaar beest dat zelden stil zit, behalve dan om eitjes te leggen. Het vrouwtje legt ze meestal binnenin drijvende afgestorven plantendelen (hier een dode stengel van Waterdrieblad), maar ook levend plantenmateriaal komt in aanmerking.
Drie weken later komt uit elk ei een vraatzuchtige larve die tussen de waterplanten op zoek gaat naar prooien. Ze eten veel (o.a. slakjes) en groeien snel: tegen de winter zijn ze 4,5 cm lang en hebben ze al een tiental vervellingen achter de rug. Ze overwinteren in het diepere deel van de vijver om in het voorjaar nog een goeie centimeter te groeien en tot een laatste larvaal stadium te vervellen. Vanaf eind mei kruipen de volgroeide larven dan uit het water en komt het volwassen dier tevoorschijn.
De foto (180mm macrolens van sigma, F9, zonder statief) heb ik liggend aan de rand van de vijver gemaakt. Keizerlibellen zijn vrij schuw, maar ze zien vooral bewegende voorwerpen. Zolang je muisstil blijft liggen hebben ze dus niet door dat je er bent. De foto die je hier ziet is voor de helft bijgeknipt omdat er aan de periferie een rommelig zootje waterplanten te zien was.
Daarzie, ik heb ook nog een middenvinger waarmee ik op de ontspanknop kan duwen.
Om bijvoorbeeld vast te stellen dat na de azuurtjes nu ook al de lantaarntjes van vuile manieren doen in mijn grasland. Enige uitleg bij bovenstaand kamasutra standje is misschien wel op zijn plaats. De blauwe linksboven is meneer Lantaarntje. Die is voorzienig geweest en heeft met voorbedachten rade zijn achterlijf onder zijn borststuk gekromd om zo de zaadpakketjes van uit zijn laatste segmenten over te brengen naar zijn borststuk. Pas dan komt mevrouw in beeld, die zich na de niet aflatende avances van de overenthousiaste meneer aan de haak laat slaan ter hoogte van haar nek. Ze zal op haar beurt haar achterlijf tot tegen het borststuk van het mannetje krommen, waar de zaadpakketjes kunnen overgedragen worden. Daar kunnen ze uren mee zoet zijn, om vervolgens de eitjes te gaan afzetten. Al die tijd wijkt het mannetje niet van haar (boven)zijde, alleen zo kan hij zeker zijn dat híj alleen de vader wordt.
Goed nieuws voor wie het aanhoudend geleuter en dito foto’s van de azuurjuffers alhier al goed beu is. De aflossing van de wacht is geariveerd, en wel onder de vorm van een viertal Lantaarntjes.
‘Ik zie geen verschil’ hoor ik daar zeggen? Toch, toch! kijk maar eens naar het achterlijf van onderstaand Lantaarntje en het achterlijf van de Azuurtjes in de voorgaande post. Zietge’t?
Er bestaan daar bovendien heel goede boekjes voor (de ‘Veldgids libellen’ van Bos en Wasscher bijvoorbeeld) en met een verrekijker erbij is het op zich niet zo moeilijk om die beestjes op naam te brengen. Bovendien zijn er véél soorten juffers, goed om mij (en u) een tijdlang mee zoet te houden. Hiep hiep!