Voor niemand ter wereld
zou ik het gras maaien,
niet voor de buren,
niet voor de goede naam
en niet voor de esthecita,
maar toen Zij ging lopen
moest opeens het gras kort zijn,
een tapijt voor haar voetjes’
uit: Een vogeltje in mijn buuk. De taal van Nena.
Nog even een postje in de reeks ‘naweeën van de cursus faunabeheer’. Een en ander toegepast op de eigenwijze tuin, en dan in hoofdzaak omtrent maaien*. Het basisprincipe is in feite eenvoudig. Hoe meer variatie in een hooiland, hoe meer beestjes. En hoe meer beestjes, hoe vrolijker ik wordt. En hoe krijg je veel variatie? Door vooral niet alles (te)gelijk te maaien, maar in fases en gradaties. Als dat (voor een deel) dan ook nog op een onregelmatige manier gebeurt, dan verhoog je bovendien ook nog eens de dynamiek. Dat is niet zo fijn voor planten want die verkiezen een periodiek terugkerende maaibeurt naar ‘t schijnt, maar voor dieren geeft het extra kansen.

Heel basic kan je het op volgende manier doen: verdeel je hooiland in een aantal deelpercelen. Van die deelpercelen maai je er één het eerste jaar niet. Het jaar daarop laat je een ander deelperceel staan, het jaar daarop weer een ander, enzovoort. Op het schema hiernaast (afkomstig uit de cursus faunabeheer van Inverde, die het op hun beurt uit het boek ‘praktisch natuurbeheer: vlinders en libellen’ geleend hebben): het eerste jaar maai je 1, 3 en 4. Het tweede jaar 1, 2 en 4, enzovoort. Zo kan je een lappendeken van verschillende ontwikkelingsstadia bekomen.
Z
o’n lappendeken beantwoord zelden aan een reeële situatie, en al helemaal niet aan wat we onder ‘mooi’, ‘natuurlijk’, laat staan ‘functioneel’ (het tapijt voor haar voetjes) verstaan. Meestal willen we eerder iets zien zoals op het schema hier rechts: een geleidelijke overgang van kortgeschoren paadjes of grasmat (A) , via kruidenlaag (B) naar ruigte of struiklaag (C). Bemerk dat op het schema hiernaast die zone C onderverdeeld is in C1 en C2 die op een ongelijk moment (bijvoorbeeld met telkens een jaar tussen) gemaaid worden; dynamiek, meneer en mevrouw!
Bemerk ook de voorzichtige hoekjes en kantjes: de natuur is niet aan rechte lijnen. In- en uitsprongen verhogen de variatie en verlengen het grensgebied tussen de verschillende stroken, wat op zich al meer overgangssituaties geeft.
Je kan er zelfs voor opteren om ook de kruidenlaag niet elk jaar integraal te maaien. Maar dat moet je perceel in kwestie wel toelaten natuurlijk. Als je hooiland nog nagenoeg vrijwel alleen uit grassen (gestreepte witbol!) bestaat heeft dit weinig zin: alles maaien en afvoeren is dan de boodschap, tot de kruiden uiteindelijk beginnen op te duiken, dan kan je de frequentie verlagen en voor sommige stukken al eens een jaartje over slaan. Daar ben ik in mijn tuin voorlopig nog niet echt aan toe. Wat dan wel kan zie je op onderstaand schema: De zones aangeduid met ‘A’ en de (geel gekleurde) paadjes worden zo goed als wekelijks kortgehouden: gazon met andere woorden. De zones aangeduid met ‘B’ worden 1x gemaaid tussen half mei en begin juni en nog een tweede maal na september. Zone C is opgedeeld in twee delen: dit jaar wordt er geen van beiden gemaaid (eerste jaar dat er in C niet gemaaid wordt), vanaf volgend jaar is het alternerend C1 of C2 dat gemaaid wordt, met af en toe een jaartje overslaan zodat elk stuk om de drie à vijf jaar aan bod komt. Deze C-zones zijn ideale overwinteringsplaatsen voor veel insectensoorten, waaronder vlinders.

*: maaien impliceert in dit geval ook steeds het afvoeren van het maaisel: dat verschraalt de bodem, wat de grassen benadeelt en de bloeiende kruiden bevoordeelt.