er was een boom in zweden
Gedichtendag! Derhalve tijd voor Poëzie van Hoog Niveau!
Gedichtendag! Derhalve tijd voor Poëzie van Hoog Niveau!
Afgunst
Een boom kiest zorgvuldig zijn plaats
om daar nooit meer vandaan te gaan.
Met niets dan zonlicht en lucht
versterken zijn wortels hun greep
op de wereld en neemt in zijn kruin
het overzicht toe.
Zonder beschutting
wordt het leven in alle seizoenen pas
echt getrotseerd. Dat op zijn stam
onze hand zich soms neervlijt in een
groet of is het een slinkse poging
om van zoveel standvastigheid
toch iets te ontvreemden.
uit: ‘Oog van de tijd’ van Marc Tritsmans
winter. je ziet weer de bomen
door het bos, en dit licht
is geen licht maar inzicht:
er is niets nieuws
zonder de zon.
En toch is ook de nacht niet
Uitzichtloos, zo lang er sneeuw ligt
Is het nooit volledig duister, nee,
Er is de klaarte van een soort geloof
Dat het nooit helemaal donker wordt.
Zo lang er sneeuw is, is er hoop.
(Zolang er sneeuw ligt, Herman de Coninck)
(Willem Vermandere)
chance dat ‘t regent, de koeien hèn dorst
en de vissen kunnen ook nie zonder
‘t is buiten dat ‘t regent mens slaap gerust
de regen is een endelijk wonder
‘t onnozelste beestje of klein sprietje gras
en de kruiden te veel om te noemen
wat ware nen puit zonder waterplas
en de rozen en al d’andere bloemen
wat waren de zeeën zelfs op den deur
nie veel meer dan wat zoute woestijnen
ne wereld ontdaan van geur en kleur
verdroogd alle bronnen en fonteinen
chance dat ‘t regent zo begoste mijn lied
en de zanger moe je nu nie verjagen
de regen is heilig vergeet dat niet
zware wolken moe je nooit nie beklagen
ik ben nie benauwd voor nen waterplas
ik ben verliefd op de striemende regen
ik wentel mie rond in ‘t natte gras
en ik loop langs de kletsnatte wegen
kijk naar die boze blikken achter het raam
van al die loerende mensen
je mag toch nooit in ‘s hemelsnaam
de vruchtbare regen verwensen
de wereld is toch maar nen gloeienden bol
met een dunne beweunbare pelle
giet de putten en de beken maar vol
de druppeltjes gaan we nie tellen
chance dat ‘t regent moeder eerde hèt dorst
en heur kinders kunnen ook nie zonder
met een dak boven mijn hoofd slaap ik gerust
en ‘k beseffe dat endelijk wonder
De zon gaat onder
en ik sta in een steppe, een onafzienbare steppe,
maar ik weet dat het een tuin is
met een heester, een paar viooltjes, een merel
en een poes
en dat de avond een druppel is -
die van de emmer of die van de gloeiende plaat,
het doet er niet toe, die van de eindeloze regen!
De tuin is klein,
omringd door buren en heggen,
maar ik weet dat het een steppe is,
een onafzienbare steppe, er gonst een mug!
(Toon Tellegen)
Er zijn mensen die omzichtig, bijna onmerkbaar
iemand willen kussen
of alleen iets willen laten weten, iets teders.
Er is daar geen verklaring voor.
Omdat het gedichtendag is. En omdat Toon Tellegen er soms knal op zit.
Verdrietig kind, verdrietig gedicht
Ik ben de herfst.
Ik ben de regen.
Ik ben de storm.
Zoek mij maar op,
ik sta in alle gedichten.
Houd mij maar vast,
ik heb het koud en ik ben moe,
en nog zoveel bladeren aan de bomen,
nog zoveel bladeren overal.
Toon Tellegen
(gedicht ontdekt via Annemie’s blog )
eindelijk zag ik dat alles voorbij
zou gaan als deze dag boven
land dat ik lief heb
Ik zeg niet dat dat erg is
ik zeg alleen wat ik dacht
te zien
Rutger Kopland
Na de roodbruine warmte van september,
na van october ‘t zwaar en donker goud,
keren de heldre dagen van november
met ijle geur van brandend turf en hout,
van rijpe appels, rottend loof. Reeds koud
worden de morgens in de kale velden
waar raven, met de ondergang vertrouwd,
de heerschappij aanvaarden; sombre helden
die zich met nog somberder roepen melden.
Op het vochtige land strijken zij neer
waar zij op paarden en op honden schelden
en zij voorspellen vorst en winterweer.
(Koos schuur)