Hoogst tevreden ben ik, meneer en madam! Want wat was daar aan het zingen, deze namiddag, terwijl ik op de binnenkoer mijn plintjes voor den boven aan het verzagen was? Een Veldleeuwerik! Jazeker! Jubeljubel (zowel het beest in kwestie als ikzelf)! Nu heb ik altijd al een zwak gehad voor Veldleeuweriken (dat moet toch niet met twee ka-s hé?), want dat zijn hoogzomerbeesten die flarden herinnering oproepen waarin hangmatten, strobalen, stokbrood-camembert-rode wijn en JNM-zomerkampen met blondgevlechte deernes de hoofdrol spelen. Maar bovendien gaat het het laatste decenium niet zo goed met de Veldleeuwerik (en andere akkervogels in het algemeen). Ik ben dan ook bijzonder blij dat ‘onze’ Veldleeuwerik terug is, en boven de belendende akker van jetje aan het geven was. Daaruit trek ik de volkomen overenthousiaste conclusie dat hier zo slecht nog niet is, en dat dat vogeltje hier nog altijd zijn gading vindt.
Daarentegen maak ik mij wel ernstig zorgen over ‘onze’ Steenuil, want die heb ik dit voorjaar nog niet gehoord. En daar zou de strenge winter wel eens voor iets kunnen tussen zitten. Hopelijk daagt hij alsnog op één dezer…
Maar bovenal betekent de aankomst van de Veldleeuwerik dat de lente onontkoombaar aan het naderen is. Binnenkort komen de tjiftjaffen, de zwartkoppen, de boerenzwaluwen, … Ik zie dat al allemaal enorm zitten.