long may you run
Sinds jaren hebben we elke winter het gezelschap van buizerds in ons naaldbosje. Eerst was het er ene, de laatste jaren telkens twee (zie ook dit bericht).
Read more »
Sinds jaren hebben we elke winter het gezelschap van buizerds in ons naaldbosje. Eerst was het er ene, de laatste jaren telkens twee (zie ook dit bericht).
Read more »
Individuen met een hoek af, ze zitten bij alle diersoorten. Bij ons, naakte apen, zijn ze zelfs bijzonder goed vertegenwoordigd. Dat het er bij ons meer zijn dan bij andere diersoorten heeft wellicht te maken met de afgezwakte natuurlijke selectie waar wij als soort aan onderhevig zijn. Afwijkende strapatsen worden in de menselijke samenleving niet noodzakelijk genadeloos afgestraft (Gelukkig maar, of ik was al lang wijlen). Af en toe haalt de natuurlijke selectie toch medogenloos uit, getuige daarvan de totaal losgeslagen idioten die websites als youtube bevolken om aldaar roemloos aan hun eind te komen (bijvoorbeeld), maar dit geheel ter zijde.
Bij de meeste andere diersoorten zit het anders, daar moet ge niet te zot doen of het doet uw balanske maar al te gauw naar de verkeerde kant uit slaan. Te weinig wintervoorraad aangelegd -> exit; te lomp om eten te vinden -> exit; te nonchalant in de buurt van een roofdier -> exit; te veel energie gestoken in achter de vrouwtjes te lopen in plaats van genoeg te eten -> exit; niet op tijd vertrokken op najaarstrek -> exit; te laat teruggekeerd uit uw winterverblijf -> exit; over Malta gevlogen -> exit; … Alle exuberant gedrag wordt er genadeloos uitgefilterd, hetzij door een vroegtijdig heengaan, hetzij door de onmogelijkheid om uw belabberde genen voort te planten.
Maar zie: in mijn tuin (‘t zou weer niet raar zijn) zit een geschift beest. Een pimpelmees meer bepaald. En die komt nu al maandenlang zotjes doen aan het raam van de living. Gewoon op het raamkozijn zitten, beetje fladderen, naar binnen piepen en op en neer dansen. Altijd op dezelfde plaats, dag na dag, om de zoveel uur istie daar terug. Wij mogen daar tot op een halve meter van af gaan staan, dat beest trekt zich daar niks van aan. Er valt daar niks te eten, er is geen reflectie die hij als een rivaal zou kunnen aanzien, er is daar niks. Dat beest komt ogenschijnlijk gewoon zijn energie verspillen. En toch gaat hij al maanden door met zijn zottigheden, een eeuwigheid naar mezen-maatstaven, zeker met de strenge winter die het geweest is. Volgens mij is die mees gewoon zot. Niet?
Oesjie, nummer 4234-en-nog-ne-klets zal niet meer thuis geraken. Kwalijke ontmoeting gehad, meerbepaald. De foto hierboven is gemaakt na de foto hier onder. Dichter ben ik niet geraakt; ondanks de beplanting had hij me direct in de smiezen en ging er van door, het bos in. Rap nog een foto van zijn prooi gemaakt (die hierboven) en dan het beest met rust gelaten. Toen ik een paar uur later terug kwam was de duif nagenoeg helemaal opgepeuzeld, en de sperwer in geen velden of wegen meer te bekennen. Deze sperwer is er ene van het koppel dat vorig jaar in het naaldbos gebroed heeft. Ook dit jaar zijn ze alle twee weer op post. Af en toe vergrijpen ze zich aan een kool- of pimpelmees, maar naar de plukresten te oordelen vormen duiven hun hoofdmaaltje; het naaldbos zit vergeven van de houtduiven en turkse tortels. Eens naar het naburige nest wippen en ze kunnen aan tafel…
Daarnaast zitten er nog steeds twee buizerds in hetzelfde bosje. Die hebben (hier) vorig jaar niet gebroed. Misschien trekken ze ook dit jaar nog weg naar het noorden, al zijn ze wel al druk van vuile manieren aan het doen in de populier van onze buurman. Afwachten…
Ha, kijk, deze hebben die verderfelijke jagers toch niet te pakken gekregen. Zat met zo’n 15 vriendjes en vriendinnetjes van baltsken te spelen rond en onder de oude meidoornhaag. Ze gingen er natuurlijk pijlsnel van door van zodra ze me in het snotje kregen, derhalve pover fotoresultaat. Maar toch leuk om eens een behoorlijke troep patrijzen te zien. Dat was al bijzonder lang geleden.
In een zee van wit is het zoeken om te overleven. Twee keer per dag gaat er derhalve een flinke schep gemengd graan, zonnebloempitten en aardnoten ter grote van een halve alpro-bakken-en-braden-vloot richting tuin. De respons is indrukwekkend. Continu vliegen merels, ringmussen, vinken, kool- en pimpelmezen en een roodborst af en aan. Hun argwaan moet het af leggen tegen de honger. Geen behoefte aan koude schuiltentjes deze winter, ik kan ze open en bloot vanuit mijn warme living fotograferen. In de buurt zoeken groene spechten, grote bonte spechten, eksters, boomkruipers,vlaamse gaaien, de bleke buizerd en een grote gele kwikstaart naar iets eetbaars. Zij zijn nog lang niet hongerig genoeg om zich zo dicht bij het huis te wagen. Als ik hen op foto wil, zal ik wél een paar uur in een koud tentje moeten liggen…
Net als de voorbije jaren huizen er ook deze winter twee buizerds in het sparrenbosje. Schuwe beesten, die er van door gaan van zodra ze mensen in het snotje krijgen. Ik kan ze geen ongelijk geven, met die nozems van jagers die in de buurt rondhangen. (Maar ik mag vooral niet over jagers beginnen want dan wind ik mij veel te veel op en dat is slecht voor van alles aangaande mijn persoonlijke gezondheidstoestand en gemoedsrust.)
Soit, schuwe buizerds dus, wat het niet makkelijk maakt om er een foto van te maken. En ik ben dan sowieso al geen vogelfotograaf. Vogels fotograferen is bij mij een kwestie van geluk, en om goede foto’s van vogels te maken moet je daar nu net niét op rekenen; je moet gewoon urenlang liggen verkrampen in een veel te klein schuilhutje bij -5°C. Dus behalve die ene winter toen ik mijn tentje buiten gezet had om wat tuinvogels bij een voederplaats te fotograferen is het mij veel te veel gedoe en vooral veel te weinig comfort. We moeten daar niet flauw over doen.
Maar ziet, dit weekend had ik geluk en kon ik de bleke buizerd die hier al een kleine maand vertoeft vastleggen. Verre van een topbeeld: niet scherp genoeg, lelijke sparren op de achtergrond en al, maar toch plezant. Nu nog proberen om de andere (een donkere) te verschalken, dan kan ik volgend jaar kijken of het dezelfde zijn die terugkomen of niet. Want ne mens is daar toch kerjeus naar, niewaar.
Een winterkoninkje had zich een weg weten te banen tot binnen in mijn kot. Maar -oh dear- de weg naar buiten niet terug gevonden. Geen idee hoe lang het daar al zat toen ik het vond, vruchteloos proberend om doorheen het raam naar buiten te geraken. Beetje in paniek natuurlijk, toen ik daar binnen kwam. Beetje uitgeput ondertussen ook precies? Of was het gewoon van de stress dat ik het vrij makkelijk kon pakken? ‘t Moest in elk geval precies wat bekomen.
Tijd genoeg voor wat natuurbeleving van de bovenste plank voor de juniors. Misschien zullen ze het binnen vijfentwintig jaar nog weten, net zoals ik mij die huismus herinner die ik ooit (ik zal veertien jaar of zo geweest zijn) van langs de straatkant opraapte en op mijn hand liet bekomen. Misschien ook niet. Maar hun oprechte vreugde toen het vogeltje na enkele minuten ineens weg fladderde om in de haag te verdwijnen gaf mij een goed gevoel. ‘t komt wel in orde met die twee, denk ik dan.
Hoogst tevreden ben ik, meneer en madam! Want wat was daar aan het zingen, deze namiddag, terwijl ik op de binnenkoer mijn plintjes voor den boven aan het verzagen was? Een Veldleeuwerik! Jazeker! Jubeljubel (zowel het beest in kwestie als ikzelf)! Nu heb ik altijd al een zwak gehad voor Veldleeuweriken (dat moet toch niet met twee ka-s hé?), want dat zijn hoogzomerbeesten die flarden herinnering oproepen waarin hangmatten, strobalen, stokbrood-camembert-rode wijn en JNM-zomerkampen met blondgevlechte deernes de hoofdrol spelen. Maar bovendien gaat het het laatste decenium niet zo goed met de Veldleeuwerik (en andere akkervogels in het algemeen). Ik ben dan ook bijzonder blij dat ‘onze’ Veldleeuwerik terug is, en boven de belendende akker van jetje aan het geven was. Daaruit trek ik de volkomen overenthousiaste conclusie dat hier zo slecht nog niet is, en dat dat vogeltje hier nog altijd zijn gading vindt.
Daarentegen maak ik mij wel ernstig zorgen over ‘onze’ Steenuil, want die heb ik dit voorjaar nog niet gehoord. En daar zou de strenge winter wel eens voor iets kunnen tussen zitten. Hopelijk daagt hij alsnog op één dezer…
Maar bovenal betekent de aankomst van de Veldleeuwerik dat de lente onontkoombaar aan het naderen is. Binnenkort komen de tjiftjaffen, de zwartkoppen, de boerenzwaluwen, … Ik zie dat al allemaal enorm zitten.
Een Buizerd wordt weggepest door een Zwarte kraai. Zo goed als dagelijks rusten er een of twee buizerds in ‘ons’ naaldbosje, soms blijven ze er ook overnachten. De Zwarte kraaien hebben daar klassiek een probleem mee en treiteren de Buizerd in kwestie net zo lang tot hij het afbolt. Dikwijls worden ze daarbij nog na gezeten door de pestkoppen ook. Meestal zie ik het (van achter het raam) gebeuren en kijk er naar. Maar deze keer was ik buiten én had ik mijn fototoestel in mijn pollen.